 |
 |
 |
| |
Nog één keer, nog één keer zal ik mijn frustraties uitten wat betreft kerken, geloof, regeltjes en wetten… Dat verhaal van vorige week… pff… het zet me gewoon weer aan het denken.
Dan gaan mijn gedachten terug naar hoe ik opgevoed ben. Naar wat ik meegekregen heb op het gebied van geloof, enz. Zwaar gereformeerd opgevoed. Iets meegemaakt wat niet in de haak is. Heel kort gezegd: als negenjarig meisje aangerand door iemand uit die zwaar gereformeerde kerk. Meerdere keren, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. En dat dacht je ook, want je wist niet beter. En mij was nooit verteld dat zoiets raar was en niet mocht gebeuren.
De puberjaren volgen en met mijn zestien jaren ben ik uit de kerk gestapt. Weg daar, weg van die achterbakse, schijnheiligen. Ik krijg de kriebels als ik aan die mensen denk en wil er niets, maar dan ook niets meer mee te maken hebben. En dat komt onder andere omdat er heel veel waren die mijn verhaal kenden, maar er iets mee doen, ho maar! Lekker je kop in het zand en stiekem geloven dat die Ina gewoon een verhaal verzint. Natuurlijk… een meisje van negen…
Weg uit die kerk. Maar dan begint de zoektocht. Je wilt toch ergens bijhoren, maar waarbij dan? Baptisten, hervormden, een christengemeente, alles kwam voorbij. Maar nergens voelde ik mezelf thuis.
Tot ik een vriend kreeg, die Hervormd was. Na bijna een jaar af en toe eens mee gaan naar de kerk, dacht ik: misschien kan ik mezelf hier in laten schrijven. Een gesprek met de dominee volgde. Hij wilde me wel helpen en zou het overleggen. Ik zou nog wel wat horen… Maar ja, nu zestien jaar later heb ik nog niets gehoord… Die relatie liep spaak en met de Hervormde kerk had ik het ook wel gehad. Dat werd het zeker niet…
Ik kreeg een relatie met manlief, die Katholiek gedoopt is. Dus ging ik mezelf iets meer in het Katholieke verdiepen. En ik moet eerlijk zeggen, het doet me wel wat. Ik trouwde, maar niet in de kerk. Ik kreeg kinderen, maar die werden niet gedoopt. En ergens knaagde dat soms.
Ik heb gesprekken gevoerd met manlief. Zo van: moeten we niet toch…
Maar nu ben ik er uit. Ik wil nergens, maar dan ook nergens meer bij horen. Je hebt het vast wel meegekregen. Al die verhalen van jongens en meisje uit de (katholieke) internaten, vroeger. Al die mensen die seksueel en geestelijk misbruikt en gebruikt zijn. Gatver, de gatverrrr! Smeerlappen zijn het. Sadisten!
Echt, ik ben er klaar mee. Wil nergens, maar dan ook nergens bij horen. Ik zeg niet dat ik nergens in geloof, dat is weer een ander verhaal. Maar een kerk, een gemeenschap, een dominee, een pastoor? Never nooit meer!
 |
Zomaar vroeg in de middag. Op een dag in de voorjaarsvakantie. Eindelijk regent het even niet en de jongens spelen buiten. We hebben net gegeten en ze zitten helemaal in hun spel. Ze bezetten mijn (door manlief in elkaar getimmerde) loungebank (ik heb zin in het voorjaar en een cappuccino of rosé op die loungebank, midden in de kussens) en hebben in hun verbeelding weer één of andere machine gemaakt.
Er is dan ook van alles uit de garage gehaald. Een bolderkar, bezems, één of andere spiegel een touw hier en een touw daar. Een stok hier en een stok daar, een trap en noem het maar op. Ikzelf zit in de keuken en kan ze door een zijraam prima in de gaten houden. Niet dat het zo nodig is, ze zijn zo lief. Zitten helemaal in hun machine-verhaal en ik kan zo genieten als ik ze zo bezig zie.
De poort gaat open, buurmeisje komt mee spelen. Klap, boem, weg verhaal. Weg machine, nee ze wil de straat op. Dean en Roy lopen er als hondjes achter aan. Zij loopt te redeneren en ze wandelen de straat op. Even later komen ze terug en Roy houd het voor gezien. Hij blijft in de tuin, bij zijn ‘machine’. Dean loopt nog een keer mee de straat op, om daarna samen met zijn buurmeisje weer terug te komen.
Ze ploffen op de loungebank en buurmeisje zit te vertellen. Ik zie haar praten en praten. Het gezicht van Dean betrekt, zijn wenkbrauwen fronsen zich en hij kijkt heel bedenkelijk. Dan zie ik het gezichtje van Roy. Ook hij kijkt heel moeilijk, zelfs bang. Ik zie dan ook dat Roy op een gegeven moment een sprint neemt en hij komt naar binnen.
Ik loop naar de achterdeur, hij heeft zijn jas al uit. “Wat is er, Roy?”, vraag ik. “Nou, ik wil niet meer buiten spelen.” “Waarom niet, Roy?” “Nou eh, ik wil gewoon niet meer.” Ik zie dat het niet waar is. “Nee Roy, je bent zo lekker aan het spelen met je machine, wat is er?” “Nou, N vertelt allemaal enge verhalen.” “Enge verhalen? Wat dan?” “Over de kerk en over een slang en dat je dan dood gaat en over een duivel.”
Een duivel??? Mijn kind weet niets over een duivel!!! En dit wil ik niet meemaken. Mijn (gereformeerd opgevoede en heel goed wetend waar dit over gaat, maar absoluut niets meer mee te maken willen hebbende) hart slaat een paar keer over en mijn haren staan bijna overeind. Ik word kwaad.
Ik pak Roy’s jas en trek hem weer aan. Pak vervolgens Roy bij zijn handje. Hij kijkt me vragend aan. “Kom maar, dan ga ik even mee naar buiten”, zeg ik, terwijl ik mezelf probeer te kalmeren. Rustig Ina, dat kind kan er niets aan doen.
Ik loop naar buiten. Dean zit nog steeds in tranche te luisteren naar de verhalen van buurmeisje. Ik loop erop af, hurk bij ze neer en vraag aan buurmeisje wat voor verhalen ze allemaal aan het vertellen is.
Er wordt verlegen naar beneden gekeken en wat heen en weer gedraaid. Dan zegt ze: “Ik vertel over de kerk en de heere.” “Ja, en over en duivel en een slang”, vertelde Roy me. Ze knikt. Roy zegt: “Ja, want bij de kerk is een slang en daar kan je dood gaan.”
Ik wil dit niet! Ik laat ieder in zijn waarde (hoewel ik heel veel dingen en opvattingen van mijn zwaargereformeerde medemens totaal niet begrijp, wat wel en niet mag en in hoeverre dat dan gaat), maar niemand, maar dan ook niemand moet mijn kinderen bang gaan lopen maken met hel en verdoemenis. Sterker nog, ik vind het ontzettend erg en zielig dat kinderen op heel jonge leeftijd dit soort dingen wijs gemaakt wordt.
Vertel vooral over je god, als je dat wilt, maar breng het een beetje vrolijk. Ga een kind niet bang lopen maken, want dit krijgen we er dus van. Die gereformeerden wordt verteld dat de ‘mensen van de wereld’ verschrikkelijk slecht zijn en dat ze vooral moeten proberen deze mensen tot inkeer te laten komen. Ik begrijp het heel goed, ik ben ook zo opgevoed (hoewel ik me niet herinner dat ik op 6-jarige leeftijd buurkindjes ging vertellen over een duivel), maar wil niet dat mijn kinderen hier mee te maken krijgen.
Doe maar normaal. Leef lekker je leven, maar laat ons in onze waarde. Dat doen we bij jou ook. Wij zullen je niet aanvallen op hoe je leeft, of hoe je doet. Hoewel ik heel veel dingen niet begrijp en jullie opvattingen niet kan rijmen, laat ik jullie ook. Leef vooral, laat je bang maken, wees goed voor je naaste en heb het leuk…
Even heb ik het Kempers-gevoel. Even twijfel ik. Binnen, of buiten? Nee, mijn kinderen waren lief aan het spelen. Zij zaten zo lief in hun machine-verhaal, ze mogen van mij lekker buiten blijven. Maar niet met één of ander stemmetje erbij, dat over duivels, kerken, slangen en appels verteld.
Dus weg is mijn twijfel en ik stuur buurmeisje weg. Ik leg het haar wel uit. “Dean en Roy waren zo lief aan het spelen buiten. Nu kom jij allemaal rare verhalen vertellen en Roy wordt er helemaal bang van. Hij durft niet buiten te spelen, als jij er bij bent en dat wil ik niet. Dus ga jij maar naar huis en Dean en Roy spelen lekker verder. Want wij houden niet van rare verhalen.”
Weg sprint ze. Ik vind het moeilijk, maar heb het beste met mijn kinderen voor en wil dit gewoon niet. Ik sluit de schuttingdeur en ga weer in de keuken zitten. Met mijn krantje.
Na vijf minuten werp ik weer eens een blik uit het raam. Ze zijn weer zo lief. Ik zie rode wangen, lachende gezichtjes en ze spelen weer ‘werkmannen’.
Ik heb er geen woord meer met ze over gerept. Ik heb het maar zo gelaten en wil ze niet meer confronteren met deze onzin. Voor iedereen die wel eens bij me komt en dit soort opvattingen heeft: hou ze voor je en uit ze al zeker niet naar mijn kinderen (vraag me nu wel even af, voor wie dit zou moeten gelden…)
Die autohandelaar van vorige week heeft ons dus een auto verkocht. En wat voor één! Ik ben er blij mee. Met deze stoere bak, voorzien van flitsende ogen en een lekker kontje. Maar ik zal nog eens wat schrijven, zeg. Over ouders die (altijd) haast hebben. Over moeilijk opvoedbaren, die daardoor ontstaan.
Het is voorjaarsvakantie. Heerlijk! Geen gehaast en geren tussen de schooltijden, nee heerlijk thuis. De jongens zijn deze week ontzettend lief. Aan alles is te merken dat ze er wel aan toe zijn, niks moeten en lekker (bijna) alles mogen.
Ik ben van alles van plan met ze, maar hoef eigenlijk niets te doen. Het regent en regent maar, en Donna is ziek. De jongens vermaken zich prima. Zitten de hele dag in hun spel. Hun kamers veranderen in ‘machine-kamers’ en er wordt van alles gebouwd met lego. Ze kijken TV met wat chips. We bakken cakejes en genieten. Ze zijn zó lief, ik vind het heerlijk om ze om me heen te hebben.
Ik zei het al: Donna is ziek. Zij heeft vanaf maandag al boven de 40 graden koorts. Woensdagmiddag en avond wil ze niets meer drinken (eten deed ze al niet meer) en donderdagmorgen wordt ze weer wakker met 40,5. Ik bel de dokter, want het heeft lang genoeg geduurd.
Ik moet maar langskomen, om tien over negen. Eerder of later is niet mogelijk. Eén blik op de klok verteld me dat het haasten wordt. Ik ga schoonmoeder vandaag namelijk halen. En wil dat eerst nog even doen.
Dus hup, kinderen in mijn nieuwe black beauty en hobbel de hobbel door de polder naar schoonma. Ik heb al gebeld: “Ik kom er nu aan, sta klaar en spring erin, want ik moet naar de dokter.” Zo gezegd, zo gedaan, schoonma springt in de auto en hobbel de bobbel ik sjees weer terug door de polder.
Intussen is het al tien over negen geweest. Shit, doorhobbelen maar. We zijn bijna in het dorp, als ik van de achterbank een piepstemmetje hoor: “Mama.” “Ja Roy, wat is er?” “Mama, ik moet overgeven.” “Eh, even wachten, Roy,” zeg ik nog. Hoe stom kan je zijn. Alsof zo’n kind kan wachten met overgeven.
Ik knal de auto op een parkeerplaatsje langs de weg. Spring eruit en wil Roy uit de gordels halen. Misschien dat even flink ademhalen in de frisse lucht wat helpt. Maar ik heb zijn gordel net beet, als er een enorme golf (bruine boterham met kipfilet/tuinkruiden en verse jus d’orange) uit zijn mondje komt. Shit, nee! Niet nu!
Dus wel. Schoonma stapt ook al uit en zegt me dat ze wel naar ons huis loopt met de jongens, zodat ik naar de huisarts kan met Donna. Maar dat vind ik niks. Dan moet dat jochie met kots over zijn jas, broek, vest over straat. Nee, ik ben nu toch al te laat, ik rij wel even terug.
Dus hup, ik spring de auto weer in. Schoonma ziet het en beseft dat ze dat ook maar moet doen. Ik start mijn black beauty en gooi het stuur om, want ik moet even straatje keren…
Vervolgens hoor ik een gil en zie ik schoonma half uit de auto hangen. Die had dus het portier nog niet helemaal dicht. Zie je het voor je. Ik schrik me rot, denk dat ze uit de auto valt. “Joh mens! Ik schrik me rot!” roep ik nog.
Terwijl ik het schrijf nu, lig ik alweer in een deuk. Echt, dit zijn van die dingen waar ik later nog smakelijk om kan lachen. Je moet het ook meegemaakt hebben, anders kan je er echt niet om lachen. Ik scheur naar huis, parkeer de auto op het pad en open Roy’s portier.
Ik zie Dean naast Roy zitten. Hij houd zijn neus dicht en piept dat het stinkt. Ja, hij heeft gelijk. Ik haal Roy uit de gordels, zeg dat Dean even over de voorstoel moet klimmen. Ik geef Dean de huissleutels en laat hun zo achter met schoonma. Die komen wel binnen, dat komt wel goed.
Hup, weer die auto in. Achteruit, pad af. Grom, grom, en mijn black beauty scheurt de straat uit. Op naar vriend huisarts.
Eenmaal daar ben ik blij dat er niemand in de wachtkamer zit. Ik verontschuldig me bij de assistente (het is bijna half 10), maar het is goed, zegt ze.
Vriend steekt zijn hoofd om de hoek en daar ga ik met Donna. Hij kijkt in haar oortjes, één ervan is ontstoken zo blijkt. Hij beluisterd haar borstje en rugje en kijkt nog in haar keeltje. Het arme kind. Ze vindt het helemaal niets!
Ik word naar huis gestuurd met een recept voor een kuur. En ze mag vier keer op een dag een paracetamol. Met theelepeltjes proberen toch wat vocht binnen te krijgen en twijfel ik die middag, avond, nacht, of volgende dag, dan moet ik zeker aan de bel trekken. Want erger mag het niet worden.
Eenmaal weer thuis gaat schoonma aan de gang met de autostoel vol kots. En ik geef Donna wat drinken en leg haar weer op bed. Daarna sjees ik op de fiets naar de apotheek voor Donna’s medicijnen.
Rond elf uur is daar ons bakkie koffie. Wat een gehaast. En wat baal ik, dat die arme Roy zo moest overgeven. Door mijn schuld! Had ik niet zo gehaast en schoonma gewoon later gehaald, was er niets aan de hand geweest. Stom, stommer, stomst…
Schoonpa vertelde me te schrijven over dit voorval. Hij vond ‘kotsend kind in black beauty’ wel een passende tekst. Dus bij deze… Goed gedaan, schoonpa?
Enne… gelukkig geen moeilijk opvoedbaren hier, hoor! (Ik heb nog een verhaal uit de voorjaarsvakantie. Komt volgende week…)
Ja hoor, ik heb weer eens wat. Ik ontmoet weer eens iemand. Zomaar een autohandelaar, bijvoorbeeld. Welk beeld heb je bij een autohandelaar? Beetje stoere vent, handig in het opknappen van auto’s en uiteraard alle verstand van auto’s.
Dus praat je over auto’s. Maar hoe anders kan een gesprek verlopen. Als blijkt dat deze, zachtaardige, goed met mijn kinderen omgaande, autohandelaar eigenlijk helemaal geen autohandelaar wil zijn. Eigenlijk zou hij willen werken met moeilijk opvoedbare kinderen. “Man, laat je dan omscholen!” is mijn reactie. Want opeens bekijk ik deze stoere man toch heel anders. “Ja, ben ik ook van plan. Ik wil in de avonduren gaan studeren.” Gaat wel goed komen met hem, dat geloof ik wel.
Het gesprek duurde overigens wel wat langer. Ik zei hem dat hij werk genoeg zou hebben in die branche, want moeilijk opvoedbare kinderen zijn er genoeg. Maar hoe komt het nu dat er zoveel ‘moeilijk opvoedbare’ kinderen zijn? Niet moeilijk te verklaren, denk ik. En misschien zijn er gewoon heel veel moeilijk ouders, waardoor de ‘moeilijk opvoedbaren’ ontstaan. Of liever gezegd zijn er geen moeilijk opvoedbare kinderen, maar ligt het probleem in de basis.
Want wat is het beeld van ouders en kinderen zo anno februari 2010? Ik heb er een geheel eigen kijk op. ’s Morgens worden de kinderen uit bed geplukt, moeten ontbijten (maar hebben nog helemaal geen zin en gaan vaak zonder ontbijt naar school, of de voorschoolse opvang), worden vervolgens even voor de TV gepoot, want dat is ‘zo lekker makkelijk’.
Vervolgens naar school, waar van alles moet en van alles van ze verwacht wordt. In groep twee leren de kids tegenwoordig al wat lezen en schrijven. Het moet maar en het moet maar. Na schooltijd nog vier keer in de week naar de naschoolse opvang met weer andere juffen en regels. Die andere dag in de week wel lekker thuis uit school, maar dan moeten we nog naar zwemles, gym, voetbal, muziekles, of verzin maar wat.
Vervolgens is de modetrend ook scheiden. Pa en/of ma allebei een ander en hup, de kids moeten het maar normaal vinden. Ze worden gelijk geconfronteerd met pa’s, of ma’s nieuwe liefde. En, ach, werkt het niet? Dan zit er over een half jaar weer een ander liefje voor pa, of ma. Tjee, wat voor kinderen ontwikkel je hiermee? Lekker stabiel, waarschijnlijk. Hele zekere, zelfstandige kinderen.
Ik ben bang dat ik nog wel even door kan gaan. Gisteravond was ik bij de schoonheidsspecialiste. Een oudere vrouw, genoeg meegemaakt in haar leven. Ik zeg haar dat ik misschien wel heel ouderwetse opvattingen heb af en toe. Maar ze verzekerd me dat ik vooral lekker ouderwets moet blijven…
En die autohandelaar? Ik denk nog wel eens aan dat gesprek met hem. Hij heeft over een jaar een heel ander beroep. Hij zal het druk krijgen…
Ja hoor, deze week is het besluit genomen. Het zat al langer in mijn hoofd, maar nu moet het er toch maar eens van komen. We moeten toch maar weer eens op huizenjacht. We verkopen gewoon ons nederige stulpje, om te gaan verhuizen. Ik denk echt dat het nodig is. En weet je waarheen? Gouda!
Gouda? Wat in hemelsnaam heb ik met Gouda? Ach, eigenlijk niet veel. En nu moet ik mezelf snel herstellen, voordat ik de hele familie op de stoep heb. Want ja, er woont veel familie. Gezellige familie, lieve familie, veranderlijke familie, nadenkende familie… Kortom, ik zou hier en daar eens op visite kunnen als ik er zou wonen.
En Gouda is een leuk stadje. Gezellig centrum, leuke winkeltjes en sfeervolle restaurantjes. Echt iets voor mij. Doe mij een gezellig stadspandje en ik vermaak me wel. Dan koop ik een bakfiets en fiets de hele stad door met al mijn kindjes in de bak. Ondertussen zwaai ik naar oom Die en tante Daar en als ik nog een nicht of neef tegen kom, dan gil ik vrolijk gedag.
We zoeken dan een oppasje voor elke week een avond, zodat manlief en ik ons uitje hebben. Heerlijk naar theater, uit eten, een kroegje in, een filmpje, gezellig samen poolen, of gewoon hangen op een terras. Ik ga me vermaken, in dat Gouda, zeker weten…
Maar weet je wat ik dan ook moet doen? Mezelf gaan misdragen. En dan bedoel ik: echt misdragen. Mensen (en dan vooral oude, die verweren zich niet zo makkelijk) van hun tasjes beroven. Inbraken plegen, op klaarlichte dag (kan makkelijk als de jongens op school zitten). Overlast moet ik gaan bezorgen, ontzettend veel overlast. Gewoon, hup met die bakfiets door Gouda en mijn slag slaan, elke keer weer.
Crimineel moet ik worden! Ontzettend crimineel! En mijn gezin daarbij. Alle vijf moeten we ettertjes worden. We moeten te boek staan als een lastig gezin, dat de straat onveilig maakt. Waar je beter met een grote boog omheen kan gaan…
En weet je waarom? Omdat ze dan bang voor me worden. Gemeente Gouda is bang voor de etterbakjes op straat. Dat tuig, dat de straten onveilig maakt. Dat zichzelf niet gedragen kan.
En dan? Dan krijgen ze rond de jaarwisseling een bedrag van tweeduizend euro, om een feestje te organiseren. Zodat die crimineeltjes binnen blijven en hun gesuikerde versnaperingen kunnen nuttigen in bijzijn van een dj.
Het moet niet gekker worden in ons land. Voorpaginanieuws, deze week. Het is om te schamen. Waar gaan we heen? Wat willen we bereiken.
Lieve Geert, ik vind je kapsel afschuwelijk. Maar ik begrijp je, ik begrijp je volkomen. Mijn stem heb je. En Femke, jij bralt dat je de straat kent. Femke, je weet totaal NIET wat er speelt. Het moet klaar zijn hier. Over en uit!
Nee, niet schrikken! Ik ben niet zwanger en ga dat waarschijnlijk ook niet meer worden… Waarschijnlijk? Nee, het is goed, zo. Ik ben tevreden. Tevreden met mijn kindjes, met mijn gezin. Echt, het is goed, zo.
Nee, negen maanden is mijn jongste inmiddels geweest. Alweer een paar weken terug. De tijd vliegt! Is het alweer negen maanden geleden, dat ik bevallen ben van dat mooie meisje? Ik kan het me nog zo goed herinneren dat ik daar lag, in het ziekenhuis. Met dat kleintje op mijn buik. Zo lief, zo klein…
Is het alweer negen maanden geleden dat ik in mijn kraamweek zat? Dat er een kraamhulp in huis liep. Die in mijn kasten zat, aan mijn dingetjes zat en mij telkens moest tempen, baarmoeder-voelen en weet ik veel wat.
Is het alweer negen maanden geleden dat familie (helaas is mijn ma sindsdien niet meer bij me geweest, ook alweer zo lang geleden, dus) en vrienden langskwamen om ons nieuwe wondertje te bewonderen? Dat mijn bed op poten stond en ik er stralend in zat? Dat er twee trotse broers om de tummy-tub zaten? Die het water op het snoetje van hun zusje lieten druppelen.
Is het alweer negen maanden geleden dat ik begon met borstvoeding? Dat die kleine meid het direct super deed? Dat doorslapen al in haar boekje stond, toen ze nog maar net geboren was? Dat ik zo heerlijk kon knuffelen met dat mini-mensje, dat toen nog maatje 50 droeg.
Ja, mama Ina, wen er maar aan. Het is negen maanden geleden. Je ‘ontzwanger-periode’ zit erop (er wordt vanaf nu dus verwacht dat je weer gewoon normaal doet! Nou mensen, berg je!). Negen maanden is mijn prinsesje. En ze is en blijft zó lief.
Draagt inmiddels maatje 68/74. Brabbelt ‘hmmm’ en ‘jajajaja’. Kan schateren als ik met haar door de kamer dans. Kan lachen als ik ‘kiekeboe’ met haar speel. Heeft inmiddels zes tanden in haar mondje en eet en drinkt prima.
Als mijn kleine smurfje dan in haar bedje, of box ligt kan ik er heerlijk boven gaan hangen. Heen en weer slingerend met mijn hoofd (zo van ‘ik weet het niet’). En zingend ‘Sha-la-li, sha-la-la (de rest van de Mama-Ina versie zal ik voor me houden)’. Het zal De Vader goed doen, te lezen, dat mijn smurf erom kan lachen. Echt, ze schatert het uit…
Sha-la-li, sha-la-la, zo gaattie ongeveer…;-)
Ik praat veel met mijn kids. Over van alles en nog wat. Over leuke dingen, lachwekkende dingen, over serieuze dingen. En wat voor vragen er ook komen, ik probeer altijd een zo eerlijk en realistisch mogelijk antwoord te geven.
Het is ook leuk, om kinderen uit de tent te lokken. Zo is er bijna elke avond na het eten wel even een praatrondje. Van bijvoorbeeld: noem drie dingen die leuk waren vandaag, of: wat was er niet leuk, vandaag? Of onze discussie gaat over de aardbeving van Haïti (vooral Dean heeft daar vragen over, hoort er veel over op school en is zó bang dat het bij ons ook gaat gebeuren), of over de komende vakanties (en wat we dan allemaal wel niet gaan doen), of over…… noem het maar op.
Zo vertelde mijn oudste zoon mij laatst:”Mam, bij de C1000 is alles voor één euro?” “O ja, schat, hoe weet jij dat?” “Nou, dat zag ik op de TV, bij de reclame.” “Oké, en is dan ook echt álles voor één euro? Ook de wijn en de chocola en… (noem alle heerlijkheden maar op)?” “Ja, alles. En ik zou maar snel gaan, als ik jou was, want op = op zeiden ze nog.” De schat, ik moest er even om glimlachen.
Toen kwam hij thuis met het begrip ‘homo’. Ik dus uitleggen wat dat is. Dat meestal een jongetje met een meisje gaat, maar dat er soms ook jongetjes zijn die jongetjes leuker vinden (en dan moet je dat gezicht van hem zien…) en meisjes die meisjes leuker vinden. Afijn, een paar dagen erna verteld Dean dat hij verliefd is om meisje Q. Tja, dat wist ik al even, want ik hoef haar naam maar te noemen en meneer glundert van oor tot oor. Roy verteld doodleuk dat hij verliefd is op vriendje D. Om vervolgens van onze oudste te horen te krijgen: “Maar dan ben je een homo, hoor Roy!” En dan weer dat gezicht erbij… Ik weer grinniken, natuurlijk.
Vanmorgen had ik weer een poetsbui. Meestal zo even voor het weekend. Alles moet weer netjes zijn, ik heb geen zin in troep. Donna heeft net even in de box gelegen, maar was het zat, dus is weer naar bed verhuisd. Het laatste nummer van haar ‘Woezel-en-Pip-CD’ (ze vindt ‘em zo leuk. Gaat al glimmen als ze het eerste nummer hoort) is afgelopen en automatisch pakt de cd-speler de volgende CD. Laat dat nou net Pavarotti zijn.
Heerlijk, op zondagmorgen gaat bij mij vaak Pavarotti (of Classic-FM) aan. Het geeft me rust, het geeft de kinderen rust en daar hou ik van. Nu galmde dus Pavarotti door mijn kamer. En even gingen mijn gedachten terug naar een aantal jaren geleden.
Iedereen om ons heen maakte zich druk of onze oudste zoon wel zou gaan praten. Op een zondagmorgen kom ik beneden en wil een CD opzetten. Mijn oudste staat achter me en zegt: “Mam, zet je even Pavarotje op?” Zó lief…
Ja hoor, ik heb weer een verhaal. Zojuist gebeurt. En ik heb besloten het maar even neer te tikken. Om jou aan het lachen te maken. Want dat zal je zo wel doen…
Een ieder die mij een beetje kent, weet dat ik sport op de vrijdagavond. Lekker even bodyheaten, of: er flink tegenaan. Daarna drink ik meestal nog wat, klets en lach wat met die en gene. Om vervolgens weer richting huis te gaan, een koffie te nemen, een lekkere douche en daarna te genieten van een glas rode wijn.
Vanavond was het dus ook weer zover. Toen ik er heen fietste, sneeuwde het al wel wat. En was het al wel koud, maar verder viel me niet veel op.
Na het sporten, na het ‘bar-hangen’, na het kletsen, na het lachen vertrek ik dus weer. Ik zie dat het nog meer heeft gesneeuwd. De sneeuw op het zadel van mijn fiets is bevroren. Uitkijken dus…
Ik glibber door de straatjes van ons dorpje naar huis. Het ging over van die kleine straatsteentjes, die hier en daar wel wat glad en glibberig aanvoelden.
En voel jij ‘em al aankomen? Ik glibber het spoor over, ben bijna thuis. Ik kan de koffie al bijna ruiken. Nog een klein stukje, ik moet oversteken om mijn straatje in te gaan. Shit, het is echt glad. Ik voel het en tegelijkertijd glipt mijn fiets onder me vandaan. Ik zet snel een voet op de grond, maar het is zó glad…
Daar ging ik dus… (lach niet!) Kei- en keihard onderuit. Ik val gewoon op m’n dikke kont met mijn benen in de lucht en daartussen zweefde ergens een fiets met fietstassen en een kinderzitje achterop. Ik baal enorm en zal niet herhalen wat er allemaal door mijn hoofd schoot. Ik voel een vreselijke pijn. In mijn bekken, daar ergens onder bij mijn kont (zit daar dat ellendige stuitje niet?) Ik kan niet overeind komen…
Oh, wat baalde ik. En weet je wat het ergste was? Achter me stond een auto, dikke, vette koplampen op mij gericht. En die gast bleef maar staan. Hij stapte niet uit. Reageerde niet. Bleef maar staan. Met mama Ina in de spot-lights op een oncharmante manier. L*L!, dacht ik bij mezelf. Rij door en laat mij…
Ik probeer overeind te komen, maar het gaat echt haast niet! Jeetje, wat deed dat pijn. De tranen liepen over mijn wangen, maar wilde het liefst niemand zien en al helemaal niet door iemand gezien worden. En dan zeker niet in het licht van een paar koplampen (“De autolichten beschijnen haar lichaam…”, tja, dat was weer wat anders in dat park).
Afijn, er komt beweging in de auto. Ik sta al half, zoek steun bij mijn fiets die daar nog maar ligt te liggen. Auto naast me. Raampje open. Je voelt ‘em al, hè? Je weet het al hè? Er wordt gevraagd: “Gaat het?” En dan nog wel door een (oudere) vrouw!
Wat moet je dan? Vloeken, tieren, zeggen dat het zo’n pijn doet? Nee, dat doet mama Ina niet. Op zo’n moment hou ik mezelf groot (ach, die tranen kon ik niet helpen, was vast van de kou) en zeg: “Ja hoor, het gaat wel. Ben bijna thuis, rij maar door.” Zij nog: “Gaat het echt wel?” Ik denk: Mens, als je nu niet doorrijdt! Dus zeg ik nog vreselijk vriendelijk: “Ja, het gaat echt wel, ga maar door, laat me maar.”
Zie je het voor je? Daar kwam de tweede auto. Raampje open. “Gaat het?” Ik wil schreeuwen, janken en gillen dat ik pijn heb. Maar nee, even vriendelijk als daarnet zeg ik: “Ja hoor, ik ben bijna thuis, laat me maar. Het is gewoon erg glad.” Pff, weer een auto verder…
Auto drie kijk ik waarschijnlijk aan met een blik van: laat je raam dicht, vraag me niks en ga naar je verjaardag, huis, afspraak of weet ik veel wat. Er gebeurt niets. Auto drie kijkt alleen en glibbert langzaam door.
Gelukkig, auto’s weg. Even kan ik rustig snikken. Dat rare rugje, bekken en onderkantje van mij ook… Bij het minste geringste heb ik er pijn. Ik baal!
Ik heb mijn fiets overeind. Glibber naar de stoep en moet nog een klein stukje. Er lopen twee jonge gasten, die het hele tafereel waarschijnlijk ook gezien hebben. Eén komt er op me af. “Mevrouw, waar woont u?” Ach, die lieverd. Van hem kan ik dat ‘mevrouw’ wel hebben. Maar wat wil hij doen. Mij op zijn nek slingeren en thuis brengen? Terwijl zijn maatje mijn fiets thuisbrengt?
Nee hoor, ik vertel hem hetzelfde als die twee auto’s. “Ben bijna thuis, komt wel goed.” En ik glibber verder.
Dan, precies voor mijn huisje, glijdt die stomme fiets nog eens onderuit. Ik blijf staan dit keer, maar mijn trouwe maatje ligt daar weer. Nog sneller strompel ik naar de garage en ga daar eerst eens flink staan janken. Sjonge, ik lijk wel een klein kind, maar het doet zo’n pijn!
Snel naar binnen. Gelukkig is daar gelijk die brede schouder. Gelukkig kan ik daar zeggen, wat ik tien minuten daarvoor alleen dacht. Gelukkig kan ik gewoon even als een klein kind janken van de pijn.
Toen snel onder de douche. Maar het blijft pijn doen. En nu hang ik op de bank. Met natuurlijk dat rode wijntje. Maar hoe ik moet zitten, ik weet het niet. Hoe ik morgen wakker word. Ik weet het niet.
Het zal wel mijn eigen schuld zijn. Mijn straf voor wat ik allemaal aan die bar het uit zitten kramen. Want lachwekkend was het, maar niet voor ieders oren bestemd… Misschien ben ik gelijk gestraft…
Zaterdagavond. Ik ben uit eten met manlief. Het eten is heerlijk en we genieten. Van een voorgerecht, hoofdgerecht, nagerecht, koffie…Haïti trilt na.
Zondagmorgen. Ik ben bezig met de ontbijttafel. Verse jus d’orange, koffie, warme broodjes uit de oven, croissants, yoghurt, muesli, beleg, een eitje…
Haïti kreunt om zo’n ontbijt.
Mijn dochtertje huilt en heeft ook wel zin in haar ontbijt. Melk met ontbijtgranen. Een bordje vol. Ze laat het zich goed smaken…
Ik zie beelden van een babymeisje in Haïti.
Huilend, gillend van de pijn en honger.
Maandagmorgen. Ik maak de tassen van mijn zoontjes klaar. Een beker drinken mee en een versnapering voor tussendoor. Elke dag weer wat anders, variërend van een liga, eierkoek, ontbijtkoek, ‘schoolkoekje’, ‘giraffenekken’, ‘berenkoekjes’…
Haïti smeekt om eten.
Gisteravond bij een vriendin geweest. Gekletst over van alles en nog wat. Maar vooral ook over onze ‘toekomstplannen’. We willen samen iets opzetten. Het was heel gezellig. We lijnen allebei, maar toch maar wat lekkers bij de koffie. En wat later toch maar een wijntje.
Haïti, toekomstplannen?
Elke dag lees ik de krant. Elke dag zie ik de verschrikkelijke foto’s, lees ik de vreselijke verhalen. Elke dag komt er wel een journaal voorbij met nieuwe berichten. Bert Dijkstra schreef deze week in de Telegraaf: ‘wat een raar woord eigenlijk: puinhoop. Puin-hoop. Hoe kan er hoop zijn in puin?’
Haïti, hartverscheurend.
Vanmorgen doe ik boodschappen bij de supermarkt. Ik sla weer een behoorlijke voorraad in. Om vervolgens mijn kasten weer te vullen. Ik besef opeens hoe goed we het hebben. Mijn kasten puilen uit.
Haïti, een voorraad?
Vandaag is mijn vrije dag. Geen kinderen. Tijd voor mezelf, tijd om mijn plannetjes uit te gaan werken. Ik luister naar radio 555. Goed om te zien wat Nederland doet. Goed om te weten dat onze regering het uiteindelijke bedrag vanavond zal verdubbelen.
En hoewel ik soms ook een klein beetje twijfel. Komt al dat geld wel op de goede plaatsen? En ik soms heel stiekem denk dat die ‘verdubbelaar’ gewoon jou en mijn belastingcenten zijn. Toch heb ik net even zitten telebankieren…
Ik kan het wel missen. Onze kasten puilen uit, onze lichamen ook (we hebben zoveel overgewicht met elkaar).
Haïti huilt. Huil niet mee. Doe iets!
Ken je ze? Die potjes van Olvarit? Wat je baby heerlijk zou moeten vinden. Moet je zelf eens een hapje nemen. Je weet niet wat je proeft. Dit is toch geen realistische smaak? Ik vind het echt smerig.
Maar soms, ja soms ben ik ook afhankelijk van Olvarit. En ik geef, zij het met wat tegenzin, toe dat het soms wel heel makkelijk is, die potjes van Olvarit. En ja, dan krijgt ook mijn kleine meisje dat smerige goedje voorgeschoteld. En dan zie ik een meisje voor me, dat wel eet, maar ook met wat tegenzin. Een mondje dat af en toe wat rare trekjes maakt en niet heerlijk smakkend het Olvarit-maal naar binnen werkt.
Hoe kan het ook anders. Mama Ina kookt veel lekkerder. Van mijn ‘potjes’ smult ze heerlijk. Dan hoor is bijna bij elke hap ‘hmmm’. Van elk avondmaal wordt een fijngemalen potje in de koelkast gezet. Voor Donna, voor de volgende dag. En echt, geloof me, ze smult ervan.
Ook van het verse fruit, trouwens. Een banaan, appel, peer, kiwi, het maakt Donna niet uit. Ze vindt alles heerlijk. Tot het uit een potje met etiket komt. Dan eet ze het wel, maar krijg ik weer een ‘zuur’ gezichtje voor me.
Ben jij ook zo’n moeder, die elke hapje eerst zelf ik je mond neemt? Gatver, dat doen er heel veel, wist je dat? Volgens mij om gewoon stiekem eerst de helft van dat hapje af te eten (want het is zó lekker). Om dan vervolgens een piepklein hapje in baby’s mondje te laten belanden.
En wat dacht je van (met deze vijf woorden begint mijn oudste de laatste tijd verdraaid vaak zijn zinnen) een snotneus. Heb je dat wel eens gezien? Bij gebrek aan papier, keukenrol, zakdoek. Gewoon je hand er even langs en ach, ik heb toch een oude spijkerbroek aan, hup veeg af die hand. Ik krijg de kriebels nu al…
Nee, dan vorige week. Ik loop in de supermarkt, mijn wagentje weer eens compleet te overladen, terwijl ik iets zie… Een kindje, in het karretje. Dat kind zit heerlijk een koekje te eten, maar krijgt dat hele koekje niet weg. Het zit te kokhalzen in het winkelwagentje… Alleen daarom al moest ik mijn hoofd even omdraaien.
Maar vervolgens zie ik die moeder een vinger in dat mondje steken, een groot gedeelte van dat gekokhalsde koekje tevoorschijn toveren, om het vervolgens in haar eigen klep te doen belanden… Ik wist niet wat ik zag! Ging bijna zelf over mijn nek.
Draaide me dus maar snel om, keek snel Donna aan en ik kreeg de mooiste glimlach van de wereld. Nog sneller liep ik door, want dit is toch echt goor, of niet dan?
Wat heb je toch viespeuken in de wereld. Ben bang dat ik kan blijven schrijven……
|
|
|
|
|